Home |
ENG  |  FR  |  Sitemap  |  Contact

» Home » Over de broeders » Patroonheilige
Patroonheilige  

De Broeders van Liefde ontvingen van hun stichter de heilige Vincentius als hun patroonheilige en inspirator. Vincent de Paul was een Franse priester die leefde in de 17de eeuw. Hij ontwikkelde een totaal nieuwe visie op de naastenliefde door zich daadwerkelijk in te zetten voor de meest armen. Velen gingen in zijn voetspoor en werden dragers van deze liefdesboodschap.
 
Over het leven van de H. Vincentius a Paulo zijn vele werken geschreven, biografieën die trouw weergeven hoe het leven van deze heilige er uitzag en andere, die meer de romantische of devotionele toer opgaan. In deze tekst proberen we zo getrouw mogelijk weer te geven wie Vincentius was, wat hij deed en welke grote klemtonen hij legde.
 
 
Zijn jeugd (1581-1600)

"Ik ben slechts een zwijnenhoeder, de zoon van een arme boer". Met deze woorden
geeft Vincentius heel treffend zijn herkomst weer. Vincent werd geboren in Pouy (Landes-Frankrijk) op 24 april 1581 in een arm landbouwersgezin, waar hij het derde kind was in een reeks van zes. Zijn ouders, Jean de Paul en Bertrande de Moras, moesten hard werken om rond te komen. Al op jonge leeftijd moest Vincent mee de kudde hoeden en ondervond hij aan den lijve wat het betekende arm te zijn. Van natuur was hij eerder zwaarmoedig en later bekende hij regelmatig dat hij moest strijden tegen zijn sombere en stugge natuur. 

Hij was evenwel een verstandige jongen, hetgeen werd opgemerkt door zijn omgeving, zodat hij toch de gelegenheid kreeg om school te lopen. De advocaat De Comet kon de ouders van Vincent overtuigen om hun zoon te laten verder studeren. Met het geld van de verkoop van een paar ossen konden de studies betaald worden, terwijl Vincent het financiële tekort aanvulde met de opbrengst van privé-lessen die hij gaf. Van 1595 tot 1597 verbleef hij op het college van de Franciscanen te Dax, waarna hij naar de universiteit van Toulouse trok. Hij nam het besluit om priester te worden, niet zozeer als antwoord op een roeping, maar vooral als weg om de nodige financiële inkomsten te verwerven om zijn arme familie te kunnen helpen. In 1598 overleed zijn vader en reeds in 1600 werd Vincent priester gewijd, amper 19 jaar oud. Van een seminarie-opleiding was toen nog geen sprake. Dat hij zo vlug mogelijk wou breken met de armoede getuigt het verhaal dat hij later aanhaalt over de relatie met zijn vader, die hij nochtans zeer graag zag: "Ik herinner me dat ik beschaamd was om met mijn vader door de stad te wandelen omdat hij slecht gekleed was en hinkte.  Ik schaamde me toen hem als mijn vader te moeten erkennen". Na zijn priesterwijding ging dan ook al zijn energie in het verkrijgen van prebenden en het ontwikkelen van een carrière.  Maar het verliep wel anders dan voorzien.
 
Een avontuurlijk bestaan (1600-1610)
 

Vincent besloot verdere studies te volgen in Toulouse en organiseerde een kleine kostschool om in zijn levensonderhoud te voorzien. Een eerste parochie, die hij ten zeerste begeerde, ging aan hem voorbij. In 1605 trok hij naar Bordeaux om een benoeming te bekomen, hetgeen opnieuw mislukte. Terug in Toulouse werd hij naar Marseille geroepen waar hij bij testament van een oude dame gans haar bezit verwierf.

De nalatenschap bestond slechts uit schuldvorderingen en met veel moeite kon hij de schuldenaar vinden en het begeerde geld bekomen. Maar dan gebeurde iets buitengewoons. Op de terugvaart van Marseille naar Narbonne werd het schip overvallen door zeerovers en Vincent werd als slaaf weggevoerd naar Tunis, waar hij verkocht werd aan een visser en later aan een soort alchemist, bij wie hij allerlei medische technieken leerde.  Ten slotte kwam hij terecht bij een gewezen priester, die nu met drie vrouwen leefde. De man bekeerde zich onder invloed van Vincent en vluchtte samen met hem naar Frankrijk. Dat was het einde van een wel bijzonder avontuur, dat door sommige biografen in twijfel wordt getrokken. Het verhaal werd teruggevonden in een brief die Vincent schreef aan De Comet in juli 1607 vanuit Avignon, waar hij juist was aangekomen. 
 
Nu trok hij naar Rome met de vice-legaat van Avignon, opnieuw in de hoop een goede prebende te bekomen. De verwachte gunst kon echter niet worden ingewilligd, zodat Vincent zich in 1608 sterk ontgoocheld in Parijs vestigde.  Daar huurde hij een sobere kamer en ging kerkelijk recht studeren. Hij werd er ziek: tijdens zijn verblijf in Tunis had hij wellicht tropenkoorts opgelopen. Bovendien werd hij door zijn kamergenoot beschuldigd van diefstal. Ten slotte overleed ook nog zijn beschermheer De Comet. In die periode van uitzichtloosheid kwam toch eindelijk licht toen hij in 1610 aalmoezenier kon worden aan het hof van koningin Margareta van Valois, Margot in de volksmond en eerste vrouw van Hendrik IV. Ook bekwam hij zijn eerste, lang begeerde prebende, nl. de opbrengst van de abdij van Sint-Léonard-de-Chaumes.

De eenvoudige boerenzoon, ongeveer 30 jaar oud, als één van de aalmoezeniers op een koninklijk hof vol schittering en vertier en in het bezit van een prebende. Maar blijkbaar gaf het Vincent niet de voldoening die hij verhoopte.  Gelukkig ontmoette hij toen een aantal figuren, die hem zouden helpen op de weg naar de bekering.
 
Een nieuwe Mijnheer Vincent (1610-1625)

Eén van deze figuren was Pierre de Bérulle, stichter van de Oratorianen en kardinaal, die eveneens een gekende was aan het hof van koningin Margot. Hij was de promotor van een nieuwe mystiek en werkte aan een herwaardering van de liefdadigheid en de hervorming van het religieuze leven. Vincent kwam in de ban van de Bérulle en besloot op zijn aanraden een pastorale opdracht aan te nemen. Hij verliet het hof van Margot en werd op 2 mei 1612 pastoor van Clichy. Hij werd er een vurige pastoor, herstelde de kerk en startte er men een klerikale school voor jongeren, die zich wilden voorbereiden op het priesterschap. Na slechts één jaar aanvaardde hij, mede op aanraden van de Bérulle, een nieuwe opdracht, nl. gouverneur bij de familie de Gondi, aan wie hij zeer toegewijd was als leraar van de kinderen en geestelijke begeleider. De zorg voor het spirituele leven werd bij Vincent een uitgesproken bekommernis, en de jaren dat hij verbleef bij de Gondi's waren voor hem jaren van verinnerlijking en verder uitzuiveren van zijn roeping. In 1617 verliet hij de Gondi's om pastoor te worden van een vervallen parochie, nl. Châtillon-les-Dombes. Hij werd er geconfronteerd met een andere armoede, nl. de materiële armoede, die zovele mensen teisterde. Hij stichtte daartoe de "Confrérie de Charité" waarbij gegoede dames de arme gezinnen gingen helpen. Aan de oorsprong daarvan lag een bijzondere ervaring. We laten Vincent zelf aan het woord: "Op een zondag toen ik me kleedde voor de H. Mis kwam men mij melden dat ergens in een eenzaam huis een gans gezin ziek lag zonder dat er iemand overbleef om de huisgenoten te verzorgen.  Op de kansel beval ik deze ongelukkigen aan bij de gelovigen en God gaf dat ze diep ontroerd werden bij het vernemen van deze ellende.  Na de mis gingen velen deze armen helpen".

Ook was de ervaring in Châtillon voor Vincent zeer vruchtbaar om het grote belang van goed gevormde en toegewijde priesters te onderkennen.  Zo startte hij zijn volksmissies, waarbij hij met de hulp van de jezuïeten aan de parochianen godsdienstonderricht verschafte. Hij hoopte dat ook de priesters zelf met meer vurigheid het geloof zouden verkondigen en de gelovigen met de sacramenten nabij zijn. Eind 1617 was Vincent opnieuw in het kasteel van de Gondi's, van waaruit hij de vele parochies die zich op het familiebezit bevonden kon bezoeken.  Ook werd hij in 1619 aalmoezenier van de galeislaven, van wie de Gondi de generaal was. Deze slaven-gevangenen moesten in onmenselijke situaties de schepen voortduwen. In de film "Mr.  Vincent" wordt een treffende scène weergegeven, waar Vincent de plaats inneemt van één van deze galeigevangenen. Ook weten we dat hij bij de Gondi aandrong om een klein hospitaal te bouwen voor deze galeigevangenen en dat hij ijverde voor de verbetering van de algemene levenssituatie van die mensen.

Een andere figuur met wie Vincent contacten onderhield was de bisschop van Genève, Frans van Sales, schrijver van "Introduction á la vie dévote" en stichter met Jeanne de Chantal van de Zusters van de Visitatie, waarvan Vincent vanaf 1629 de geestelijke leiding zou waarnemen.
Ondertussen had hij in 1625 de Congregatie van de Missie gesticht, later de Lazaristen genoemd, speciaal om de volksmissies te prediken en om de opleiding van de seminaristen op zich te nemen. De familie de Gondi bezorgde Vincent 45.000 ponden om deze nieuwe stichting te ondersteunen. In juni 1625 overleed Mevrouw de Gondi, waarna Generaal de Gondi, onder de invloed van Vincent, intrad in het Oratorium van de Bérulle. Het leven van Vincent had een duidelijke richting gekregen en voortaan zal hij zich wijden aan een uitgebreide organisatie van de liefdadigheid en de begeleiding van seminaristen en jonge priesters, zonder de concrete arme die hij ontmoette, uit het oog te verliezen.
 
Mijnheer Vincent als stichter en organisator (1625-1660)
 

Tijdens de periode dat Vincent in Parijs verbleef werd het land hoofdzakelijk geregeerd door Kardinaal-Minister Richelieu, die slechts één zaak voor ogen had: de macht van Frankrijk uitbreiden. Van 1622 tot 1642 was hij aan de macht en herhaaldelijk werd oorloggevoerd, waarbij de arme burgers de eerste slachtoffers waren. Voor deze armen startte Vincent met een georganiseerde hulpverlening, waarbij hij vooral de notabelen van de steden inschakelde.  Overal richtte hij "Confréries de la Charité" op en tezamen met Louise de Marillac, weduwe en dochter van een machtige familie, slaagde Vincent erin de elite van Frankrijk op te nemen als "Dames de Charité". Zij gingen op bezoek bij de "armen, onze meesters", gaven aalmoezen en lieten hun huispersoneel de vuile werkjes opknappen. Vooral dat laatste was voor Vincent aanleiding om op zoek te gaan naar een nieuwe vorm van liefdadigheid: de armen door armen te laten verzorgen. 
 
Een eenvoudig meisje, Marguerite Naseau, zou hem op de weg zetten, en in 1633 startte Louise de Marillac met de vorming van de eerste liefdezusters die naderhand zouden uitgroeien tot de Congregatie van de Dochters der Liefde. Vincent noemde ze bewust Dochters der Liefde, liet hen geloften uitspreken voor telkens één jaar en liet hen in gewone huizen wonen. Hij wou daarmee voorkomen wat Frans van Sales met zijn Visitatiezusters had meegemaakt, nl, dat ze verplicht zouden worden om ook in een slotklooster te gaan wonen. "Gij hebt als kloosters, de ziekenhuizen; als cel, slechts een huurwoning; als kapel, de parochiekerk; als kloostergangen, de straten van de stad, of de zalen van de hospitalen; als clausuur, de gehoorzaamheid; als tralies, de vreze Gods; en als sluier, de heilige ingetogenheid".
Daarmee had Vincent de basis gelegd van een totaal nieuwe vorm van kloosterleven voor vrouwen, dat we later zullen omschrijven als apostolisch religieus leven.  De Dochters der Liefde werden door Vincent heel sterk religieus begeleid en hij zond ze naar hospitalen, naar weeshuizen; sommigen begonnen met onderwijs op het platteland en deden aan thuiszorg.  De nieuwe congregatie zou pas in 1668 definitief door Rome erkend worden. Vandaag zijn de Zusters over gans de wereld verspreid en telt de congregatie een 20.000-tal leden.
In 1632 werd aan Vincent St-Lazare aangeboden, een grote priorij in Parijs, waarin ook een leprozerie was ondergebracht. St-Lazare zou voortaan de thuishaven worden voor Vincent en voor zijn Congregatie van de Missie.  St-Lazare werd één van de grootste geestelijke centra van Frankrijk met een opleiding voor missionarissen, een seminarie, het werk van de priesterretraites, een leprozerie, een asiel voor krankzinnigen. Ook de Dochters der Liefde kwamen zich in de buurt van St-Lazare vestigen, zodat St-Lazare werkelijk het centrum werd van waaruit Vincent zijn vele activiteiten ontwikkelde.

Het beeld dat we van Vincent meestal meedragen is dat van een priester met een paar kinderen op de arm en aan de hand. Inderdaad, in de straten van Parijs vond hij de verlaten kinderen en vondelingen en hij ontfermde zich over hen. Vele van deze kinderen werden vermoord; andere werden verminkt om te kunnen bedelen.  m hen te redden richtte Vincent een vondelingendienst op en hij vertrouwde de opvang toe aan zijn Dochters der Liefde. Tussen 1640 en 1660 heeft Vincent niet minder dan 10.000 kinderen gered en opgevangen. Ook naar de Salpêtrière stuurde hij Zusters om er de geesteszieken op een meer humane manier te verzorgen.
Zijn zorg voor de materieel armen ging steeds gepaard met de zorg voor de religieus-spiritueel armen. Zo reageerde hij sterk tegen de slechte vorming en de onverschilligheid van de clerus. Daartoe richtte hij in verschillende diocesen seminaries op, die werden bediend door de Lazaristen. Ook startte hij vanaf 1633 in St-Lazare met de dinsdagconferenties voor de priesters van Parijs, die zich later ook uitbreidden over gans Frankrijk. Zelf arm en eenvoudig levend, bewoog Vincent zich zonder moeite in de hoogste milieus.  Typisch was dat hij overal zichzelf bleef en nooit zijn geringe afkomst verloochende.
Koning Lodewijk XIII stierf in de armen van Vincent en liet twee minderjarige kinderen achter. Koningin Anna van Oostenrijk zou het regentschap waarnemen totdat Lodewijk XIV de meerderjarigheid zou bereiken. Anna nam Vincent als biechtvader en stelde in hem alle vertrouwen. Zo benoemde ze hem in de "Conseil de Conscience", die de benoemingen van de bisschoppen moest regelen. Ondertussen had kardinaal Mazarin Richelieu opgevolgd. De listige kerkleider voelde zich enorm bedreigd door de eenvoudige Vincent, die er niet voor terugschrok tegen bepaalde voorstellen radicaal in te gaan, indien Mazarin minderwaardige en zelfs schandalige benoemingen wou doorvoeren. Ook onder Mazarin werd Frankrijk herhaaldelijk door oorlogen verscheurd. Zo was er de hugenotenoorlog, de dertigjarige oorlog, de tachtigjarige oorlog en de burgeroorlog van de Fronde, die duurde van 1650 tot 1654. Vooral tijdens de burgeroorlog heeft Vincent enorme bedragen verzameld om de arme bevolking te ondersteunen. Hij organiseerde daartoe een groots opgezette solidariteitsactie en zond ook zijn missionarissen en zijn zusters naar plaatsen waar het leed zeer groot was.

Ook naar het buitenland zond hij zijn missionarissen: naar Italië, Schotland, Polen en zelfs Algerije en Tunis, waar een aantal missionarissen werden vermoord.  Tegen het einde van zijn leven telden de Lazaristen 622 priesters en de Dochters der Liefde 600 zusters.
 
Zijn levenseinde
 

Al de troebelen in Frankrijk en de grote armoede, zowel op materieel als op geestelijk vlak, die daarvan het gevolg waren, maakten dat Vincent de laatste jaren van zijn leven eerder zwaarmoedig was. Hij bleef al zijn werken volgen, sliep slechts 4 á 5 uur, en vanuit St-Lazare verzorgde hij zijn omvangrijke briefwisseling. Men vermoedt dat hij gedurende zijn leven een 50.000-tal brieven heeft geschreven over de meest uiteenlopende zaken. Drieduizend ervan zijn bewaard gebleven en geven een indruk van hetgeen hem ten diepste bekommerde.

Vanaf 1658 was hij herhaaldelijk ernstig ziek en moest hij ook afscheid nemen van twee van zijn directe medewerkers: Antoine Portail, één van de eerste Lazaristen, en Louise de Marillac, de medestichteres van de Dochters der Liefde.  Helemaal uitgeput overleed hij op 27 september 1660. In 1737 wordt hij heilig verklaard.
 

In de film "Monsieur Vincent" worden door Pierre Fresnay op een buitengewone wijze de laatste jaren van Vincent voorgesteld. In een eerste scène zien we Vincent in het gezelschap van de oude koningin Anna van Oostenrijk, die hem aanmoedigt met de woorden: "Wat is het toch aangenaam voor God te kunnen verschijnen als men zoveel heeft gedaan". Maar Vincent antwoordt haar: "U vergist zich, Mevrouw, want ik heb toch zo weinig gedaan.  Davantage, ik heb nog zoveel te doen".  Davantage, steeds meer, werd zowat het testament van Vincent. En in een tweede scène roept hij de jongste novice bij zich, aan wie hij, vooraleer ze naar de armen moet gaan, een ultieme boodschap meegeeft. "De straat zal meestal lang zijn, de trappen steil, en de armen wel eens ondankbaar. Jeanne, je zult gauw inzien dat de naastenliefde een veel zwaarder last is om te dragen dan de soepkom en de broodkorf. Maar hou je zachtheid en je glimlach. Het komt er niet alleen op aan om soep en brood te geven, dat kunnen de rijken even goed. Maar jij bent de kleine dienster van de armen. Zij zijn je meesters, meesters die soms heel veeleisend kunnen zijn. Dat zal je gauw ondervinden. Hoe afstotelijk en vuil ze ook zijn, hoe onrechtvaardig en grof, hoe meer liefde je hun zal moeten geven.
Het is slechts om je liefde, alleen om je liefde, dat de armen het je zullen vergeven dat je ze brood geeft
".


Download files
BestandRondzendbrief naar aanleiding van de opening van het Vincentiusjaar